*

6 januari 2019

In de kerstnachthoorden we het verhaal van Lucas over de geboorte van de Messias in de stal van Betlehem, waaraan we de kerststal met het kind in de voederbak, met Maria en Jozef, de herders, de os en de ezel en de zingende engelen te danken hebben. Op eerste kerstdag werd de proloog van het Johannesevangelie voorgelezen met de kernzin: “Het Woord is vlees geworden.” Vandaag horen we weer een ander verhaal over de menswording van God,  over Jezus’ geboorte, dat van Matteüs. Drie verschillende verhalen over hetzelfde onderwerp. Matteüs voegt weer nieuwe elementen toe. De ster is nieuw, de stralende ster die net zoals een moderne tomtom de Wijzen met goud, wierook en mirre en hun gevolg van dienaren en kamelen de weg wijst. Die zijn ook allemaal in onze kerststal terechtgekomen. Maar Matteüs voegt nóg iets nieuws toe. Bij Lucas waren het de herders die het eerste op kraamvisite kwamen, een verachte beroepsgroep van de Joden, en niet koning Herodes, niet de hogepriester, de Schriftgeleerden en farizeeën, niet de elite van het volk, de autoriteiten en gezagsdragers, maar eenvoudige mensen die met de nek werden aangekeken en niets in te brengen hadden. Zij vertegenwoordigen het eigen volk van Jezus, de Joden. Bij Matteüs komen buitenlanders op kraamvisite. In onze tijd worden buitenlanders die bij ons komen niet altijd even vriendelijk ontvangen, nee, sommigen worden zelfs teruggestuurd, zelfs kinderen, ook al zijn ze al lange tijd hier en spreken ze onze taal. Nog erger: er worden hekken en muren gebouwd om ze tegen te houden en soms verdwijnt een heel schip met asielzoekers naar de zeebodem. Hoe kunnen we dat in godsnaam allemaal toelaten! We zouden eigenlijk moeten handelen naar de woorden ”Yes we can” en “Wir schaffen das.” Dat is een ideaal. De werkelijkheid is hard en weerbarstig. God wijst niemand af, wij, mensen, wijzen mensen af. Bij God is ieder welkom, blank en zwart, bruin en geel, rijk en arm, hooggeplaatsten en laaggeplaatsten. Er is maar één voorwaarde: eenvoud, geen verbeelding, geen pretenties, zoals de herders en de wijzen waren, simpel. Beide groepen knielen in de kerststal en brengen het kind hun hulde en bieden geschenken aan, de herders een lammetje, de wijzen goud, wierook en mirre.

Koning Herodes was eropuit  zijn positie te handhaven en wilde van een pasgeboren koning van de Joden niets weten. Die vormde een bedreiging voor zijn macht. De Schriftgeleerden lazen de boeken en wisten het antwoord, maar deden er niets mee. Dat is arrogantie van de macht en de arrogantie van de kennis.  De macht onderdrukt anderen of zet ze op een zijspoor of brengt ze om. De kennis zegt: “Zo staat het er. Dat zijn de regels en die volgen we.  Dus jij hoort hier niet. Ga jij maar terug. Of zoek jij maar een ander land, zoek jij maar een andere kerk.” En zo worden velen nu afgedankt. Maar wat zien we? De migrantenkerken trekken aan. Daar wordt gezongen, gebeden en gedanst. Ons geloof, onze geloofsbeleving, onze viering van de liturgie kan daar een en ander van leren. Er zijn er zelfs die zeggen dat de redding van onze kerken bij de migranten ligt. Dat zij, die vreemdelingen uit verre landen, ons weer vuur en spirit kunnen geven. Dan mogen wíj hen niet afwijzen, maar zíj moeten wel ook integreren. De vreemdelingen komen met goud, wierook en mirre, met wat wij hier niet hebben en wij mogen ons niet arrogant opstellen met een houding van: “Dat hebben wij niet nodig”, wat zoveel betekent als:  “wij hebben jullie niet nodig. Ga maar weer.”
 
De Wijzen lieten zich niet van de wijs brengen door de huichelarij van Herodes. Zij papten niet aan met de macht, zij lieten zich niet in de luren leggen door zijn vrome praatjes. Zij gingen hun eigen weg. Dat was een andere weg. Zij hadden gegeven wat zij hadden. En het was in dankbaarheid aanvaard door het Kind, door zijn vader Jozef  en zijn moeder Maria. Niet door de autoriteiten van Judea, niet door Herodes, niet door de geleerden die zo goed wisten wat er in de boeken stond.
Die begrepen niets van de komst van de Wijzen.

Het kind in de kribbe begreep het wel. Het gaf zichzelf: het licht van de wereld, brood van eeuwig leven, als de goede herder, als de ware koning. Het lag daar en glimlachte. Het spreidde zijn armpjes wijd uit en heette mensen zonder pretenties en verbeelding hartelijk welkom.   “Komt allen tot mij, die onder lasten gebukt gaat en ik zal u verkwikken. Neemt mijn juk op uw schouders, ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Bij mij ben je welkom.” AMEN.

 

joomla template