*

4 november 2018

ALLERZIELEN 2018

Op ons kerkhof, hier naast de kerk, staat aan de linkerkant in het midden een zuil die regelrecht naar de hemel wijst met een kruis op de top. Het is een grafmonument en tegelijk een oorlogsmonument. Als wij na deze viering naar het kerkhof gaan en de graven zegenen, heb ik ieder jaar een bijzondere zegen voor enkele graven waar dierbaren liggen en ook voor dat grafmonument. De naam die erop staat is: Albertus van Benschop, de geboortedatum 12 juli 1925 en de sterfdatum 14 januari 1945. Er staan twee veelzeggende Latijnse woorden bij: FURORE TEUTONICO, dat betekent: door de Duitse waanzin. Die dag, een koude zondag midden in een strenge winter, de Vecht lag dicht, de plassen waren bevroren, staat nog altijd scherp in mijn geest gegrift. De Duitsers hielden plotseling die dag een razzia in ons dorp om mannen gevangen te nemen voor de oorlogsindustrie in Duitsland. Albertus van Benschop werd, toen hij over het ijs probeerde te ontkomen, dood geschoten, hij was pas 19 jaar. FURORE TEUTONICO, door de Duitse waanzin. Ik zal dat nooit vergeten!

In deze eucharistieviering herdenken wij de doden van het laatste jaar en allen die wij nog in ons hart meedragen en van wie wij de graven straks zullen zegenen.

De eerste lezing, zojuist voorgelezen, is een fragment uit de Klaagliederen. Die liederen zijn poëtische klachten over de inname en de verwoesting van Jeruzalem. De stad is veroverd, verwoest en verlaten. De inwoners zijn gedeporteerd en honderden kilometers ver weggevoerd. En de dichter overziet het geheel en heft een hartverscheurende klacht aan. Sion is verwoest, verloren en verlaten. We mogen die naam vervangen door bijvoorbeeld Aleppo in Syrië dat platgebombardeerd is en Jemen dat vreselijk te lijden heeft van oorlogsgeweld, waarvan de inwoners de dood hebben gevonden of de vlucht hebben genomen in erbarmelijke omstandigheden of sterven van de honger. Maar wat de dichter het meest aangrijpt is het leed van de ouderen, de kinderen en strijders die gewond en dood op de straten liggen. Er is niets nieuws onder de zon. Toch ziet de dichter een lichtpunt dat hem hoop geeft: Zonder einde is de genade van de Heer, onuitputtelijk is zijn erbarmen. “Hoop verloren al verloren” is een oud gezegde. “Hoop doet leven” is een ander. Wie bij alle ellende de hoop niet verliest, de hoop op beter en zich vastklampt aan de kleine, goede dingen van het leven, houdt uitzicht. Wie daarbij
God zoekt, wiens trouw elke morgen nieuw is, vindt redding.

Sterven is een soort verhuizen van het ene leven naar het andere. Jezus zegt: “In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen.” Dat huis is geen kazerne waar soldaten wonen en op hun britsen liggen. Het is ook geen Huis van Bewaring waar gevangenen opgesloten zitten, we zijn daar vrij. We zijn daar hetzelfde als hier maar anders. Het sterfelijke wordt bekleed met het onsterfelijke, het vergankelijke met het onvergankelijke, het tijdelijke met het eeuwige.

Iemand die regelmatig op het kerkhof het graf van zijn  dierbaren bezoekt, zegt tegen me.: “Ik bid daar altijd, als ik langs de graven ga, de geloofsbelijdenis: ‘Ik geloof in God, de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde’, en ik eindig dan met: ‘en ik geloof in de verrijzenis van het lichaam en het eeuwig leven. Amen’. Want ik kan niet geloven dat God die ons geschapen heeft en ons het leven heeft gegeven, ons het leven ook weer afneemt. Eens gegeven blijft gegeven.” Ja, wat God met Jezus heeft gedaan, hem uit de dood doen opstaan, zal Hij ook met ons doen, als wij met Jezus verbonden blijven. Dat is ons geloof, dat is onze hoop. AMEN.

Leo Wenneker

joomla template