28 juni 2020

Het is stevige kost die we vandaag in het evangelie opgediend krijgen. Jezus vraagt veel van zijn leerlingen. Hij houdt niet van polderen en iedereen te vriend houden, zoals veel politici willen. Hij gebruikt soms uitdagende taal en houdt van scherpe formuleringen, die je bij het eerste gehoor tegen de borst stuiten. Zo bijvoorbeeld: “Wie vader of moeder meer bemint dan mij, is mij niet waardig; wie zoon of dochter meer bemint dan mij, is mij niet waardig.”

Er zijn er die in deze coronatijd een gelijkluidende uitspraak doen. Zo: “Wie oude mensen, armen, zwakken, kwetsbaren, gehandicapten meer waard acht dan de economie, is dit land niet waardig, verdient geen burger van dit land te zijn.”

Bij de uitspraak van Jezus komt de gedachte bij je op: Die is wel erg overtuigd van zichzelf, dat hij zich boven onze vader en moeder en boven onze zoon en dochter plaatst. En wie is hij dan wel? Wel, op het moment van de uitspraak is hij een dakloze, een zwerver, een die geen speciaal vak of beroep uitoefent en geen inkomen heeft uit arbeid. Een die volkomen op God vertrouwt en leeft als de vogels in de lucht en als de bloemen op het veld. Onbezorgd en zonder angst. Hij maakt zich niet druk om materiële zaken, om zijn materiële welstand.

Dat is wel de leefstijl waartoe Jezus ons uitdaagt. En dat is niet verkeerd.

Dan zegt hij tegen zijn leerlingen die zijn zoals hij: “Wie u opneemt”, neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt hem op die mij gezonden heeft.” We weten wie hij is. Hij heeft zich ontdaan van alle eer en glorie en is mens geworden. En niet zomaar een mens, maar de minste. Hij is mens geworden, christenen zijn pas na hem gekomen, en dat menszijn heeft hij een diepte gegeven, zo diep dat wij dat niet kunnen vatten. Hij heeft zich vereenzelvigd met de armen, de kwetsbaren, de uitgeworpenen, de buitengeslotenen, de mensen met een andere huidskleur die als minder behandeld worden. Wie zo iemand opneemt, neemt hem op.
Kunnen wij dan de economie meer waard achten dan zulke mensen? Kunnen wij dan toelaten dat de mensen in verpleeghuizen, de opa’s en oma’s, de zieken en daklozen aan de kant worden geschoven? Hij zegt: “Wie iemand die honger heeft te eten geeft, wie iemand die dorst heeft te drinken geeft, wie een vreemdeling onderdak geeft, doet dat aan mij, want ik ben die hongerige, die dorstige, die vreemdeling.” Mogen wij dan de deur sluiten voor vreemdelingen, mogen wij nee zeggen tegen weeskinderen uit oorlogsgebieden, mogen wij dan zeggen: “Daar zijn anderen voor?” Nee, want dat zeggen wij tegen hem. Dan smijten wij de deur dicht voor zijn neus, dan zeggen wij: “Zoek het zelf maar uit!”

Jezus is mens geworden en heeft de humaniteit op de troon geholpen. Elke mens is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, Jezus ook. Wie een mens afwijst wijst hem af.
Humaniteit ligt vóór het christendom. Maar humaniteit komt in het christendom wel tot haar hoogste ontplooiing. Wat inhumaan is is niet christelijk. Onmenselijke maatregelen zijn onchristelijk. Wie economische zaken hoger aanslaat dan het welzijn van mensen is niet christelijk. Het motto “survival of the fittest”, dwz. het overleven van de sterkste mag nooit de leidraad zijn, ook al wordt de zorg voor de zwakken wel op de proef gesteld, kost dat veel en is het soms verduiveld moeilijk om de juiste weg te kiezen. Je doet het nooit goed. En je kunt het niet iedereen naar de zin maken.

“Wie vader of moeder meer bemint dan mij, is mij niet waardig.”
Vraagt Jezus veel van ons? Ja en nee. Hij noemt de mensen van zijn voorkeur kleinen. En hij zegt dat wie, al was het maar een beker koud water aan een van deze kleinen geeft, zijn loon niet zal ontgaan. Wat is nou een beker koud water? Het is een groet onderweg aan wie je ontmoet, een luisterend oor voor een klagend hart, een kaartje voor een ziek kind. Of de deelname aan een protest tegen racisme. Het is deelname aan een pleidooi voor recht aan achtergestelden, het is een gift, hoe klein ook, voor het vluchtelingenkamp op het Griekse eiland Lesbos, om maar iets te noemen. Daartoe zijn we allemaal in staat. AMEN.

Leo Wenneker